In de Ear Digital-special van het AuDidakt Audiciencongres & HoorzorgBeurs 2026 schreef Donné Pans een gastcolumn over de vernieuwde NOAH-veldnorm en de veranderende rol van de audicien. Hieronder lees je de volledige column.
De afgelopen maanden heb ik regelmatig de vraag gekregen wat de nieuwe NOAH-veldnorm nu eigenlijk gaat betekenen voor de dagelijkse praktijk van de audicien. Het korte antwoord? Minder onnodige verwijzingen, meer aandacht voor de mens achter het gehoorverlies en een verdere erkenning van de belangrijke rol die audiciens al jarenlang vervullen.
Op 1 juli verschijnt de vernieuwde NOAH-veldnorm officieel. Daarna volgt een overgangsperiode van zes maanden, waarna de norm vanaf 1 januari 2027 volledig van kracht wordt. Voor sommigen voelt dat misschien als een grote verandering. Tegelijkertijd denk ik dat veel audiciens zullen ontdekken dat ze al verrassend veel doen van wat straks in de nieuwe norm wordt beschreven. Wat mij tijdens de ontwikkeling van de nieuwe veldnorm is opgevallen, is dat niet alleen de vertegenwoordiger van Hoormij en van de audiologen binnen NOAH, maar ook en vooral de betrokken audiciens aangaven dat hun vak steeds minder draait om het hulpmiddel alleen.
Natuurlijk blijft de technische kant belangrijk. Een goed aangemeten hoortoestel maakt een wereld van verschil. Maar gehoorverlies gaat uiteindelijk over veel meer dan audiogrammen, instellingen en spraaktesten. Het gaat over mensen die moeite hebben om gesprekken te volgen. Over partners die zich niet gehoord voelen. Over onzekerheid, sociale terugtrekking of vermoeidheid aan het einde van een dag. Juist die aspecten krijgen in de nieuwe veldnorm een nadrukkelijkere plek.
Daarmee verandert ook de manier waarop we naar de rollen kijken. De naam alleen al zegt veel. Waar we jarenlang spraken over Hoortoestelverstrekking 4.0, spreken we straks over Hoorhulpmiddelzorg 5.0. Dat lijkt misschien een detail, maar voor mij zit daar een belangrijke boodschap achter. Het werk van een audicien begint niet bij een hoortoestel en eindigt daar ook niet. Het gaat om begeleiding gedurende het hele traject van hulpvraag, onderzoek, aanpassing, evaluatie en nazorg.
Een andere belangrijke verandering betreft de verwijscriteria. We hebben met elkaar kritisch gekeken naar situaties waarin cliënten onnodig worden doorgestuurd naar een KNO-arts of audiologisch centrum. Niet omdat die zorg minder belangrijk is, integendeel. Juist omdat specialistische zorg beschikbaar moet blijven voor die mensen die haar echt nodig hebben. Dat betekent dat de audicien een nog belangrijkere rol krijgt als poortwachter binnen de hoorzorg.
Veel slechthorenden komen tegenwoordig immers rechtstreeks bij de audicien binnen. Deze moet beoordelen of en wanneer meer hulp nodig is. Een gerichte triage vergt kennis en kunde. In de overgangsperiode tot 1 januari 2027 zal er genoeg ruimte zijn voor na- en bijscholing. En met de ervaring groeit uiteraard het professioneel beoordelingsvermogen van de audicien.
De grootste verandering zit in de manier waarop we naar cliënten kijken. De nieuwe norm vraagt om verder te kijken dan de meetwaarden alleen. Hoe functioneert iemand? Welke communicatieproblemen ervaart hij of zij? Welke psychosociale factoren spelen een rol? En wanneer is aanvullende ondersteuning wenselijk? Dat vraagt soms om een ander gesprek dan sommigen gewend zijn. Maar juist daarin ligt volgens mij de toekomst van de hoorzorg.
De kern van de nieuwe veldnorm laat zich uiteindelijk eenvoudig samenvatten: niet meer zorg dan nodig, maar ook niet minder dan noodzakelijk. Passende zorg dus. En als we daarin slagen, profiteren niet alleen de professionals in de hoorzorgketen daarvan, maar vooral de mensen voor wie we het uiteindelijk doen: de slechthorenden.
Donné Pans is voorzitter NOAH, klinisch fysicus audioloog en opleider bij Adelante Audiologie & Communicatie, neemt deel aan de richtlijnwerkgroepen NVKF/NVKNO en is voorzitter Raad van Advies StAr.
Tags: Gastcolumn