Waarom horen twee mensen nooit precies hetzelfde?

Ons brein registreert geluid niet simpelweg, maar voorspelt voortdurend wat het verwacht te horen. Klinisch neuropsycholoog en audiopsycholoog Olav Wagenaar legt uit waarom twee mensen met vrijwel hetzelfde audiogram toch iets anders kunnen waarnemen. Een inzicht dat ook gevolgen heeft voor de manier waarop we naar gehoorverlies, tinnitus en hyperacusis kijken.

Je zit tegenover iemand. Buiten rijdt een vrachtwagen voorbij en iets later hoor je, buiten het zicht, de herhalende piep van het achteruitrijsignaal. Jullie horen het beiden en vermoedelijk horen jullie hetzelfde. Zelfs met vrijwel identieke audiogrammen weten we dat niet zeker. Volgens moderne theorieën over waarneming is het waarschijnlijker dat twee mensen nooit precies hetzelfde horen.

Horen is vanuit dat perspectief geen simpel objectief proces waarbij geluid via het oor één op één door de hersenen wordt weergegeven, maar een subjectief, persoonsgebonden proces. Het brein is actief betrokken bij het maken van de uiteindelijke waarneming. Daarbij gebruikt het niet alleen wat er op dat moment via de oren binnenkomt, maar ook wat het op grond van eerdere ervaringen verwacht te horen. Heel kort door de bocht is een waarneming het eindproduct van gestimuleerde receptorcellen, eerdere ervaring en een voorspelling van de toekomst.

Het brein vult aan wat ontbreekt

Dat klinkt theoretisch, maar iedereen maakt het dagelijks mee. Denk aan een gesprek op straat. Door voorbijgaand verkeer bereikt soms maar een deel van de woorden onze oren. Toch horen we meestal complete woorden en zinnen en kunnen we het gesprek blijven volgen. Het brein gebruikt de context en onze kennis van taal om ontbrekende informatie aan te vullen. Neuropsychologen spreken hierbij onder meer van perceptual completion. Het brein wacht niet tot alle akoestische informatie compleet is, maar voorspelt wat er waarschijnlijk wordt gezegd.

Een spraak-in-ruismeting zegt daarmee niet alleen iets over wat het auditieve systeem kan registreren. De meting zegt ook iets over wat iemand onder moeilijke omstandigheden daadwerkelijk van die informatie weet te maken. De vraag wat iemand met diens cognitieve vermogen, restgehoor en mentale conditie met de beschikbare auditieve informatie in het dagelijks leven kan, is daarom een typische revalidatievraag.

Horen vanuit het geheugen

Het geheugen speelt hierbij een belangrijke rol. Gedurende ons leven bouwen we een enorme hoeveelheid kennis op over stemmen, woorden, muziek en omgevingsgeluid. Die auditieve ervaring helpt ons snel betekenis te geven aan nieuwe geluidsinformatie. Het brein vergelijkt voortdurend wat binnenkomt met wat het al kent vanuit eerdere ervaringen. Waarnemen is daardoor geen exacte kopie van de buitenwereld, maar het resultaat van een wisselwerking tussen actuele zintuiglijke informatie en wat in ons geheugen aanwezig is. Het is vanuit die gedachte verdedigbaar dat ieder mens iets anders hoort in hetzelfde geluid.

Binnen de neurowetenschappen wordt deze manier van kijken naar waarneming onder meer beschreven vanuit predictive coding. Volgens deze theorie maakt het brein voorspellingen over wat het verwacht waar te nemen. Nieuwe informatie uit onze zintuigen wordt vervolgens gebruikt om deze voorspellingen te controleren en waar nodig aan te passen.

Zolang de informatie vanuit het oor betrouwbaar is, kan die een sterke invloed uitoefenen op wat uiteindelijk wordt waargenomen. Maar wanneer de auditieve informatie onvolledig, onduidelijk of minder betrouwbaar wordt, neemt de relatieve invloed van voorspellingen vanuit het geheugen toe.

Verder kijken dan het audiogram

Daarmee ontstaat ook een andere manier om naar tinnitus en hyperacusis te kijken.

Waarom heeft de ene persoon gehoorverlies zonder tinnitus, terwijl iemand anders nauwelijks meetbaar gehoorverlies heeft en toch tinnitus ervaart? En waarom ontwikkelt de ene persoon daarnaast een sterke gevoeligheid voor gewone omgevingsgeluiden, terwijl dat bij een ander niet gebeurt?

Voor de klinische praktijk is dat verschil belangrijk. Als het audiogram niet volledig weergeeft wat iemand ervaart, moeten we verder kijken dan alleen de gehoordrempels. De vraag wordt dan niet alleen hoe ernstig een klacht is, maar ook vanuit welk mechanisme de symptomen zijn ontstaan.

Lees het vervolg in Earline Magazine 4, vanaf 22 september op de mat

Wat betekent dat voor tinnitus en hyperacusis? En welke rol kan de audicien spelen wanneer hetzelfde audiogram bij twee cliënten een totaal verschillend verhaal blijkt te vertellen? Olav gaat daar in onze nieuwe Earline uitgebreid op in. Het artikel is een Nederlandstalige bespreking van een vereenvoudiging van een wetenschappelijk review manuscript dat momenteel ter beoordeling is aangeboden aan een internationaal Q1 journal.

BRONNEN

1 Sedley, W., Friston, K. J., Gander, P. E., Kumar, S., & Griffiths, T. D. (2016). An Integrative Tinnitus Model Based on Sensory Precision. Trends Neurosci, 39(12), 799-812.

2 Schilling, A., Sedley, W., Gerum, R., Metzner, C., Tziridis, K., Maier, A., Schulze, H., Zeng, F.G., Friston, K.J., Krauss, P. (2023). Predictive coding and stochastic resonance as fundamental principles of auditory phantom perception. Brain, 146(12), 4809-4825.

3 Wagenaar, O., Wieringa, M., Verschuure, J. (2010). A Cognitive Model of Tinnitus and Hyperacusis; A Clinical Tool for Patient Information, Appeasement and Assessment. Int. Tinnitus Journal 16(1):66-72.

4 Wagenaar, O., Jacquemin, L., Blom, H., Van Rompaey, V. & Gilles, A. (2026) Article in submission; not yet peer reviewed.